Hieronder volgt een opsomming van de vele projecten die ik in mijn diensttijd bij de Koninklike Luchtmacht heb kunnen en mogen doen. Helaas kan dit niet geheel in chronologische volgorde worden weergegeven.



1964 geplaatst bij Centrale Vluchtinlichtingen en Verbindings Groep te Hilversum.

Na mijn plaatsing bij de CVV-Groep werd ik, met een opleiding HRoRat (Hulp Radio Radar Techniek), tewerk gesteld bij Bureau Verbindingen bij Elt Ehrencron en Vdg de Bult.
Na enkele weken bleek er een foutje te zijn gemaakt en werd mijn plaats van tewerkstelling gewijzigd in 99 LuVE (Luchtmacht Verbindings Eenheid) te Zwaluwenberg, waar de Sgt I Ad Kool de werkcentrumchef was. Hier waren oa ook geplaatst Sgt I Lex Krijgsman en Sgt Nijemeisland.
Het personeel van de 99 LuVE onderhield de apparatuur van het straalzender station Hilversum, maar ook de apparatuur van het relaisstation Schoonhoven
(19 LuVE). In een latere fase werd gekozen om alle straalzenderstations te bemannen.
De stations waar we in Hilversum een directe straalzenderverbinding mee hadden waren Austerlitz, Millingen, Schoonhoven, Schellinkhout en Voorschoten.


De apparatuur...

We werkten in eerste instantie met kanaalunits TF43 en TF44 en de radio DRG4.
Deze apparatuur werd vervangen door VZ12, BGM en de radio DRG6. Dit was voor het over grote deel nog apparatuur met buizen, met hier en daar een enkele germanium transistor.
Hierdoor verliepen de instellingen nogal. Op een gegeven moment kwam ik via een dumphandel in het bezit van een grote hoeveelheid NU-weerstanden (NU=Nominal Unit). Dit waren weerstanden die een kleinere tolerantie en betere stabiliteit hadden dan de normale koolweerstanden die wij gebruikten. Hierdoor konden we apparatuur beter instellen en bleef het stabieler.


Als telex-overdragers hadden we de WT1D, hierin zat o.a. een relais dat de mark en space regelde. Een van de problemen was het afstellen van de ruimte tussen de relaiscontacten..

Omdat we bij de straalzender een hoge mast (Eiffeltoren model) hadden staan, werden daarin ook marifoonantennes geplaatst. Daarvoor hadden we een
Philips mobilofoon zend/ontvanger staan, die via een telefoonlijn werd aangestuurd.

De VZ12, BGM en DRG6 werden weer vervangen door V12 en V24, V120 en de radio FM120, alle van het merk Telefunken. Deze apparatuur was nagenoeg geheel getransistoriseerd. Nu nog slechts een enkele buis, maar wel van een betere kwaliteit, veelal in een stalen behuizing.

Regelmatig moesten we ook naar NSN en daar heb ik nog een aantal malen geholpen bij een heel leuk project (Electronische hond). Dit bestond uit een aantal antennetjes in de grond, gekoppeld met coax kabel, waarmee je een gebied kon bewaken. Degene die eraan werkte was SM Ruud de Vet. Hij was de ontwikkelaar, maar hij had het ontwikkeld in diensttijd en dan is het dus van de KLu. Uiteindelijk deed de KLu er niets mee en verdween het in een la, bij DMKLu. Daar zat wat later een dpl. vaandrig, die het heeft meegenomen, en toen hij bij Philips kwam te werken, heeft Philips dat op de markt gebracht. Voor SM Ruud de Vet zakte de grond onder de voeten weg en was de frustratie groot.

Herrouteren van verbindingen bij het straalzendernet ging op kanaalniveau, daarom was er voor elke verbinding een connector op een patch paneel aanwezig.
In een latere fase is er hier verandering in aangebracht, naar een idee van Sgt I Jan Bonnet en uitgewerkt door Sgt I Marius Lablans, waardoor ook op V12, cq V24 en BGM, cq V120 niveau kon worden geschakeld, wat de flexibiliteit van het straalzendernet ten goede kwam.


In die werd ik enige tijd te werk gesteld op straalzender relaisstation Schellinkhout. Hier werkte de Sgt I Piet Pennekamp, die ook in Schellinkhout woonde.

Hij moest echter voor een opzichterscursus naar de LETS en in die tijd mocht ik hem vervangen. Het was een ware belevenis. Een oude bunker van de luchtwaarneming, zonder aansluiting op de waterleiding en riolering, gelegen in het buitendijkse land van het IJsselmeer. Bij hoog water was het noodzaak om toch droge voeten te houden, zeker gezien de apparatuur die anders ook in het water kwam te staan. Dat heb ik in de periode dat ik bij het oude straalzendernet zat één maal meegemaakt, dat was in een jaar dat in heel Nederland de grondwaterstand erg hoog was.
Ook de zenderbunkers van Hilversum, die in Bilthoven lagen stonden toen onder water.

Voor een bak koffie moest je dus water meenemen van huis. Ook voor de sanitaire behoeften was er geen voorziening en moest dit dus op een andere manier worden opgelost. Dus even het dorp in voor een grote boodschap.

Het was in de zomerperiode, dus een stuk fieldwire en een zwarte diensttelefoon (slingermodel) en mijn zomer kon niet meer stuk.

Op maandag moest ik wel even naar het Deibelkamp in Den Helder om de lopende zaken met SMV e.d. af te handelen.
De SMV zat helemaal achter in het kamp en vlakbij stond een Hawker Hunter, prachtig glimmend gepoetst aan de voorkant, maar de achterkant was helemaal mat.
Als Sgt I Piet Pennekamp op Schellinkhout was en hij moest bv op maandag naar Den Helder, was het geen probleem want hij schakelde de telefoon door naar zijn huis en als er wat moest worden afgeregeld bij de apparatuur of een signaaltje (pegeltje) op de lijn moest worden gezet, kwam mevrouw Pennekamp van huis en regelde dat even.

In 1965 was er een reorganisatie en werd de 115 LuVE opgericht, dat ondergebracht werd bij de CVV-Groep en de 99 LuVE werd Straalzender Verbinding Knooppunt Station Hilversum (SVKSHVS) en het zusterstation te Arnhem werd SVKSAH, daar zwaaide Sgt I Engel Speelman de scepter.
De 115 LuVE werd belast met het operationele en logistieke onderhoud van het straalzender netwerk.

Op de straalzender kwamen o.a. vanaf Kornwerderzand, cq Ried, Sgt I Marius Lablans, vanaf straalzender Voorschoten kwam Sgt I Fred Trebels en van Straalzender Austerlitz kwam Sgt I Ton van de Maas en wat later Sgt I Frits Oortgijs.

Zij gingen allen tijdelijk meedraaien in de bezetting van het straalzender station Hilversum, dit om wat meer kennis van het straalzendernet op te doen. Dit was noodzakelijk omdat op de stations, niet zijnde een knooppunt station, aanzienlijk minder apparatuur stond. Enkele van hen heb ik nog wegwijs mogen maken bij de werkzaamheden op het straalzenderstation Hilversum. Er kwam een centrale werkplaats, die werd gevestigd in een bunker op de locatie Wisseloord te Hilversum, waarvan de Sgt I Ad Kool WC-chef werd en op het Straalzenderstation Knooppunt Station Hilversum (SVKSHVS) werd Sgt I Marius Lablans de chef.
Na enige tijd kwamen er op Zwaluwenberg een aantal containers te staan en werd er een bedrijfs-structuur opgezet zoals op andere onderdelen van de KLu.
Er kwam een Kantoor Werk Beheersing (KWB), een Bureau Bedrijfs Rationalisatie (BBR) en een Bedrijfs Bureau (BB), waarvan o.a. een aantal van bovengenoemde personen deel van uit gingen maken.

In de achtertuin van het straalzenderstation en een gedeelte van de kwekerij, van "De Zwaluwenberg", werden voorbereidingen getroffen voor het bouwen van een nieuwe bunker.

In 1969 kwam ik in aanmerking om via een schakelopleiding een onderofficierscursus te gaan volgen, aan de KKSL (Koniklijke Kader School Luchtmacht). Ik was op dat moment al bezig met een MULO opleiding. Via de één jaar durende schakelopleiding, werden we, voor de elementaire vakken, op MAVO niveau gebracht. Aan het eind van deze schakel fase werden kpl I Ko Bouman en ik bij de commandant ontboden en kregen we te horen, dat het eigenlijk jammer was dat we op dit niveau zaten en werd ons dringend aangeraden om een HAVO opleiding te gaan volgen.
Ko Bouman heeft dat gedaan, maar door mijn verdere vakopleiding en daarna plaatsing in Duitsland is er bij mij nooit wat van gekomen.
Alle overige, uit die schakelopleiding, gingen de vakopleiding in. Ik ging als enige de elec fase, zoals die genoemd werd, in. Dat betekende een half jaar extra met de nadruk op natuur- en wiskunde, maar ook de andere vakken werden niet vergeten.
Na dit extra half jaar ging ook ik de vakopleiding in. Doordat de extra elec fase en de Spec Elec opleiding langer duurde dan de andere opleidingen werd ik uiteindelijk met terugwerkende kracht bevorderd tot sergeant en kreeg ook ik mijn diploma en overige attributen, waaronder een pennenset, als best geslaagde van de opleiding uit handen van de kolonel C.C. Wilhelm.
Zover ik weet ben ik de enige die via dit traject de Spec Elec opleiding zonder problemen heeft voltooid.

Tijdens mijn kaderschoolperiode werd ik op een gegeven moment bij de commandant Kaderschool, de Kol. R.W. Hemmes geroepen en daar was ook de Aoo van Basten, die trainer was van de vliegervijfkamp ploeg, en kreeg ik de vraag of ik de vliegers van  de vliegervijfkamp wilde trainen, voor het onderdeel schermen. De vraag kwam omdat ik al enige jaren KLu kampioen was op zowel op het wapen Floret als Degen. Dat dit trainen aardig lukte kwam naar voren tijdens de internationale vliegervijfkamp wedstrijden in Finland, waar een van de vliegers eerste werd op het onderdeel schermen.

In afwachting van mijn opleiding in Lombardsijde (België) werd ik tijdelijk tewerkgesteld op de vliegbasis Soesterberg, bij de afd. Radio Grond, bij Aoo Lookman, waar ik voor het eerst met het vliegbedrijf in aanraking kwam.


1974 Opleiding in Lombardsijde, België en geplaatst op 3 GGW te Blomberg (Duitsland).

Ik werd daar opgeleid voor de functiecode 256, dat hield in dat ik deel zou uitmaken van de Direct Support Unit (DSU), een afdeling waar de units van de radars en missiles op componentniveau werden gerepareerd. Mijn specialisatie was CWAR, HIPR en LAUNCHER.
Na de opleiding werd ik voor 3 maanden OTT tijdelijk geplaatst bij het 324 Sqn te Laatzen. Hier kwam ik tot de conclusie dat een goede kennis van de samenhang van het totale plaatje belangrijk was en heb vervolgens gevraagd om na die 3 mnd. nog 3 mnd. op het 324 Sqn te mogen blijven. Doordat de opleiding van degene die ik moest opvolgeen was uitgesteld, was dit mogelijk. Dit heeft in een latere fase veel profijt opgeleverd.
Samen met mijn collega's van het DSU repareerden we dus de units op component niveau. In 1976 gingen we voor een Improved HAWK opleiding naar RedStone Arsenal in Huntsville, Alabama (USA). Hier bleek al snel hoe goed en breed onze opleiding was. Regelmatig stond een Nederlandse leerling voor de klas om de overige leerlingen uitleg te geven. Slechts de Deense leerlingen hadden hetzelfde niveau als de Nederlandse.
De Amerikaanse instructeurs waren goed, maar heel gespecialiseerd, zodat regelmatig de kreet TAKE A BREAK gebezigd werd, dan gingen zij het vragen en konden we weer verder. De instructeurs waren dat vragen uit de klas duidelijk niet gewend en werden daar vaak ook erg nerveus van..

Terug in Blomberg kregen we de nieuwe verbeterde apparatuur, voor mij werd het nu ICWAR, IHIPIR en ILAUNCHER . De I stond dus voor Improved.

Tijdens een oefening kregen we een demonstratie van een vierling M-55, dit is vierling .50 Browning luchtafweergeschut, en deze was bij de KLu geplaatst op een trailer. Deze had een effectieve reikwijdte op luchtdoelen van ca 1000 meter. Doordat er met vier mitrailleurs tegelijk werd geschoten op hetzelfde doel was dit een zeer geducht verdedigiings middel met een enorme vuurkracht. Oud, maar een door vliegers gevreesd wapen in het nabij gevecht.
De schutter zat in een soort kuipstoeltje tussen de 4 mitrailleurs in en kreeg zijn vuur commando's via een veldtelefoon met koptelefoon, direct gekoppeld aan fieldwire.
Dit betekende dat de schutter, als hij een rondje had gedraaid, terug moest draaien omdat hij zich anders vastdraaide in die fieldwire. Ik vond dit een vreemde en onlogische werkwijze.

Na de oefening ben ik eens geen kijken hoe dat te veranderen en al snel had ik een tekening , hoe dat was te realiseren.
Hierna dit laten zien bij het Hoofd Bedrijfs Rationalisatie (HBBR), Hoofd Kwaliteits Zorg (HBKZ) en bij het Hoofd Grond Operatiën (H-GRO), die allen erg enthousiast waren en vervolgens  bij DMKLu gevraagd om een vierling M-55 als proef te mogen modificeren. Het duurde even, want wat moest een electronica man nou met een wapen. Uiteindelijk kreeg ik toch daarvoor de toestemming. Samen met de mensen van de metaalbewerking van 3 GGW, t.w. Aoo. Piet Visser en Sgt I Jaap Ridderbos hebben we toen een proefmodificatie uitgevoerd. Een centrale geïsoleerde verende-as in het draaiende bovendeel, rustend in een geïsoleerde kom in het vaste chassisdeel en het standaard lagervet vervangen door Molybdeen vet. We hadden nu twee geleiders, één via de geïsoleerde verende as en kom en de andere via het chassis en lagers. Het werkte perfekt. Na wat testen was men bij het Bureau Grond Operatiën enorm enthousiast en is er direct een aanvraag tot modificatie ingediend, wat uiteindelijk resulteerde in een KLuMO, zodat alle vierling M-55 van de KLu in een roulatie systeem naar 3GGW  werden gestuurd en daar werden gemodificeerd.


Bij de modificatie van de standaard HAWK tot Improved HAWK werden er een aantal units in de radar geplaatst, die naar later bleek erg onderhoudsgevoelig waren, om zo maar te zeggen.
Al snel bleken, binnen mijn sectie, de problemen te zitten in Tracker 1 en Tracker 2, beide units van de IHIPIR. In eerste instantie bleek een bepaalde kaart, de units waren modulair opgebouwd, veelvuldig defect te raken. Hierdoor werd al snel de matrieelvoorraad uitgeput en toen bleek dat de Duitsers een hogere prio stelling hanteerden dan de KLu en wij daardoor niet bevoorraad werden, ben ik mij daar wat meer in gaan verdiepen. Al snel kwam ik er achter dat er een ontwerpfout in een van de printen zat. Deze fout is direct gemeld, maar er werd in NATO verband heel lang niets mee gedaan. In een IC (in een soort transistor behuizing) zaten 2 zogenaamde poorten, waarvan er slechts 1 gebruikt werd. Doordat bij de andere poort de ingang gewoon open hing, ging het IC steeds defect, reparatiekosten ca. $ 1750.  Ik had een oplossing voor het probleem en heb toen van DMKLu toestemming gekregen om een modificatie uit te voeren. Een transistor en 3 weerstanden en het geheel op een een spacer voor zo'n IC en dat ingieten in rubber. Het was een simpele modificatie (materiaalkosten DM 2.-), oude IC eruit solderen en de vervanger erin. Is nooit meer stuk gegaan. Alle betreffende units zijn, als de betreffende kaart op een of andere reden defect was, voorzien van deze modificatie.

Een ander probleem bij een aantal kaarten van deze units waren de potentiometers. Deze gingen ook veelvuldig defect. Voor reparatie gingen de printen naar het NATO reparatiedepot in Capellen (Luxemburg). Toen ook hier problemen en zelfs een Non-Ops situatie dreigde, heb ik van DMKLu toestemming gekregen om te bekijken of we dat konden oplossen.
De fa. Schüricht in Hannover kon mij de potentiometers met mil-specs leveren. Dus in de jeep gestapt en naar Hannover gereden. Al snel hadden we op de DSU een hele voorraad potentiometers in diverse waarden. Doordat we nu bij een defect de units meestal direct zelf konden repareren, hebben nagenoeg geen problemen meer gehad met het op voorraad hebben van deze units.

In de test shops zaten een aantal Power-Supplies (PS), die ook modulair waren opgebouwd en die de test-shops van de benodigde spanningen moesten voorzien. Als het PS defect was kon men op een modulaire print een blokje vervangen. Ook van deze blokjes was een enorm verbruik, zodanig dat we op een gegeven moment slechts 2 consoles operationeel hadden. Als we een andere test-shop moesten gebruiken, elke test-shop had zijn eigen specifieke test mogelijkheden, moesten we de power-supplies uit een andere testshop halen.
Het bleek dat de productielijn van de betreffende blokjes bij de fabriek was stilgelegd en doordat de Duitsers, zoals al eerder genoemd, een hogere priostelling hanteerden werden wij niet bevoorraad en kon het dus wel enige tijd duren voordat we weer voorraad kregen. Dit zou dus betekenen dat de kans bestond dat 3GGW en 5GGW non-ops konden gaan, een situatie die natuurlijk niet mocht gebeuren.

Van DMKLu heb ik toen toestemming gekregen om een oplossing te zoeken. Ik heb vervolgens contact gezocht met Thomson-CSF in Parijs en kreeg uiteindelijk blauwdrukken van de betreffende modules. Hierdoor kon ik nu een vervangend ontwerp maken en werd er door DMKLu een budget beschikbaar gesteld voor een proef.
Ik had toen net een vervelend dienstongeval gehad, waardoor ik enige tijd nietop de kazerne kon werken en veel thuis was. Ik heb in die periode 2 dubbelzijdige printen ontworpen en in eigen beheer gemaakt. De twee printen werden met draadjes met elkaar verbonden en met afstandsbussen t.o.v. elkaar gefixeerd.
Toen de test met het prototype was geslaagd, kregen we van DMKLu een budget om een aantal printen, incl. spares, te produceren.
Met de printontwerpen ben ik naar DELM gegaan en heb daar met de Hr. Jeukes van de afd. Galvano de printen gemaakt. De onderdelen, met Mil-specs, werden weer geleverd door de fa. Schüricht in Hannover. Een aantal specifieke onderdelen, die niet in de regulaire handel verkrijgbaar waren, bestelde ik rechtstreeks bij Thomson-CSF in Parijs, die in eerste instantie niet wilden leveren, maar uiteindelijk werden de onderdelen via een firma in Eindhoven geleverd.
Toen alle componenten en printen binnen waren kon ik de printen van componenten voorzien en testen. Wat bleek; de zelf geproduceerde printen hadden een lagere ruis-component dan de originele.

Ook hier hebben we, op een enkele transistor die kapot ging na, nooit problemen gehad, mede omdat de componenten op de eigen gemaakte printen een betere koeling kregen dan die in de ingegoten blokjes. En als er wat defect raakte konden we het in eigen beheer repareren.
Toen na enige tijd de productielijn weer draaide zijn we wel weer de originele printen met modules gaan gebruiken, dit om geen scheef beeld te creëren.


Een andere unit waar veel problemen mee waren was de communicatie unit of COMO-unit. Ook hier weer betrof het een modulair systeem. De COMO-units zaten in alle zelfstandige apparatuur, zoals radars, launchers, IBCC, e.d. Hiermee kon het personeel bij die apparatuur met elkaar communiceren.
Ook hier waren weer problemen met de levering van de modules die in de COMO-unit werden gebruikt. Op een gegeven moment kwam ik er achter dat een aantal modules weer functioneerden als je er in kneep. Mijn vermoeden was, slechte soldeerverbindingen.

Omdat de blokjes verbruiksmateriaal waren, kon ik hier makkelijk mee testen. Ik heb toen een aantal blokjes opengesneden, na ze warm te hebben gemaakt, zodat het ingiet materiaal zacht werd en je het kon wegsnijden.
Het bleek inderdaad dat tijdens de productie van de modules er een aantal koude lassen waren ontstaan. De modules bleken, net als mijn hiervoor genoemde ontwerp, uit 2 printen te bestaan, verbonden met draadjes en vervolgens ingegoten. Door alle soldeerverbindingen opnieuw te solderen, kon ca. 80 % van de modules worden gerepareerd.
In een latere fase bleek dat we het ingiet materiaal zacht konden maken door de blokjes in Tolueen te weken en vervolgens het materiaal konden wegkrabben.

Bovenstaande manier was niet mogelijk bij de PS modules, omdat deze middels veercontacten op de hoofdprint werden gemonteerd en de modules van de COMO-unit waren steekmodules. Bovendien waren de blokjes van PS modules meestal echt defect en waren het geen slechte soldeerverbindingen.


Door de opleiding in Lombardsijde, België en op RedStone Arsenal in Huntsville, Alabama , USA en de diverse Tacevals waren er goede contacten met de Belgische en de Amerikaanse HAWK eenheden in Duitsland.
Toen de Amerikaanse eenheden een PIP systeem kregen, dit was weer een modificatie van het Improved HAWK, hebben wij op 3 GGW diverse units, die bij de Amerikaanse eenheden werden verschroot en die bij de KLu een materieelcode 2 hadden, bij hun kunnen regelen, om het zomaar te zeggen.
Ze wilden er natuurlijk wel wat voor terug hebben, iets wat wij toen ook weer hebben moeten regelen. Er is z.g.n. heel lang naar een verdwenen boogtent gezocht.
Een belangrijke bijdrage in deze contacten hadden Sgt I Wolter Lemstra en Sgt I Ben Gielen .

Units die we o.a. hebben kunnen regelen waren:

Magnetron Assembly voor de ICWAR.
        Als er een magnetron moest worden vervangen moest die in de test-shop op een Magnetron Assembly worden gemonteerd en voor de betreffende
        ICWAR frequentie worden afgeregeld. Het golfpijpsysteem moest op de gebruikte frequentie door middel van shims worden aangepast.
        Dus als dit 's nacht of in het weekend gebeurde moest de monteur van dienst daarvoor van huis komen.
        Die afregeling was voor elk squadron verschillend en men kon niet elke magnetron voor een squadron gebruiken. Dit had te maken met de andere
        frequenties op het squadron.
        Met de voorraad Magnetron Assemblies die we nu hadden, konden we nu voor elk squadron een eigen Assy op de plank hebben liggen. Hierdoor was dus
        de uitvaltijd van de ICWAR veel korter, zelfs in de daguren en het kwam de operationele status van het squadron ten goede en dus van het onderdeel.


Triple IF's voor de IHIPR..
        Reparatiekosten ca $ 70.000

en nog veel andere units..

Deze en andere units hadden we nu dus gewoon op de plank liggen en was dus niet via de materieelkanalen verantwoord, dus ………...ZWARTE VOORRAAD.
En dat was alleen bekend bij de mensen van de DSU.

Toen DMKLu daar na enige tijd achter kwam, waren de rapen gaar en moesten we ons bij de commandant verantwoorden.
Maar al snel zag men er ook de voordelen van in, met name de invloed die het had op de operationele status van de squadrons, en mocht het materiaal op 3 GGW blijven. Wel moest het materiaal worden opgeboekt en als 3 GGW gePIP'ed zou worden, moest het materiaal naar 5 GGW. Dat was voor ons natuurlijk geen probleem.

Lokaties van de 3GGW squadrons:

GLK         in  Blomberg          51.930488     9.094717
324 Sqn. in Laatzen               52.030585     9.297257
326 Sqn. in Velmerstot          51.838459     8.954435
327 Sqn. in Schwelentrup
327 Sqn. in Goldbeck            52.118330     9.175846
328 Sqn. in Schwalenberg    51.894246     9.226344

Bovenstaand zijn locaties op de voormalige siteweg, net voor de poort.


1982 Geplaatst bij LVMG (WC-ASCON).

Bij mijn terugkeer naar Nederland in 1982 werd ik geplaatst bij LVMG en te werkgesteld bij het werkcentrum ASCON. Doordat er in die tijd steeds meer problemen waren met anti-militairistische organisaties waren, zoals RaRa en Rooie Marianne, moesten de ASCON-locaties worden voorzien van beveiliging. Hiervoor werd een systeem van Philips aangeschaft, dat natuurlijk door DELM werd geïstalleerd. Een aantal ASCON monteurs, onder wie ik, kregen hiervoor een opleiding.
Toen deze installaties waren geÏnstalleerd kwamen we er snel achter dat het fijn was als we die installaties ook op afstand konden resetten e.d.. Ook hiervoor heb ik toen een aantal ontwerpen gemaakt.

Tijdens mijn opleiding in Alabama had ik al computer IC's aangeschaft, CPU, EPROM- en RAM geheugen en interface IC's en heb die meegenomen naar Duitsland. In Nederland en Duitsland was er op dat gebied nog niets. In Blomberg heb ik samen met een collega printen gemaakt en de software (operating system) ervoor geschreven. Zodat we daar de eerste Personal Computers (PC's) hadden.
Eerst in machine taal en later met een Assembler en nog later Forth en CP/M. Ook met OS2 heb ik in die tijd nog gestoeid. In 1982 had ik dus al 5 à 6 jaar ervaring met computers.

Enige tijd nadat ik bij WC-ASCON was geplaatst, werd er bij Defensie een PC-prive project gestart. Sgt I Bart de Jong en ik, Sgt I Arie Jan Petrus, hadden beiden een Olivetti M-240 met printer aangeschaft, waarop wij, meerdere monteurs van het WC-ASCON, werkprocedures voor ASCON (Automatic Switched Communication Network) hebben ontwikkeld. Hierdoor waren er voor het eerst goed werkzame procedures, omdat de werkwijze voor iedere monteur nu hetzelfde was, zorgde dit voor een beter en stabieler ASCON.

Ochtrup interface, tbv ASCON <--> Bundespost

Toen in 1988 12 GGW (Hesepe) werd opgeheven, ontstonden er problemen v.w.b. de verbindingen tussen 3 GGW en 5 GGW met Nederland en omgekeerd, omdat Hesepe de relay was tussen de GGW's en ASCON.
Alle telefoongesprekken tussen de beide GGW's en een Nederlands onderdeel gingen, na het opheffen van Hesepe, via internationale verbindingen, wat natuurlijk een enorme kostenpost was.
Op HKKlu was men daar natuurlijk mee bezig en op een gegeven moment kwam men op Zwaluwenberg bij Bureau Verbindingen praten over een eventuele herkoppeling van de GGW's met ASCON. Of dat op een of andere manier mogelijk zou zijn. DMKLu had het natuurlijk al bekeken en geconstateerd dat het met de bestaande interfacekaarten niet mogelijk was.
Kapt. Jan Visser, hoofd Bedrijfsbureau, was hierbij aanwezig en die wist als voormalige werkcentrumchef van WC-ASCON wat ik allemaal had gedaan en die heeft mij erbij gehaald. Het was duidelijk, met bestaande apparatuur was koppelen met ASCON niet mogelijk.
Op dat moment wist ik dat natuurlijk ook niet, maar gaf aan de mogelijkheden te willen onderzoeken.

In de weken die daarop volgden heb ik, samen met Sgt I Bart de Jong, contact gehad met mensen van de Bundespost, betreffende de signalering die bij de Bundespost werd gebruikt. Toen we die gegevens hadden hebben we eerst protocol tekeningen gemaakt, van de signalen die de Bundespost gebruikte en die wij bij ASCON gebruikten. Aan de hand van die protocollen heb ik een schakeling ontworpen en een ontwerp gemaakt voor een print.
Na het maken van een testprint, konden we deze in Ochtrup (DLD), waar een ASCON locatie t.b.v. de NATO was, testen met de lokale Bundespost.
Na een kleine aanpassing die we ter plaatse konden doen, functioneerde de testverbinding.

Hierna werd er door DMKLU een budget beschikbaar gesteld voor een aantal printen. Er moest een kast met power-supply en 16 interfaceprinten worden gefabriceerd, voor 12 lijnen en 4 reserve printen. De printen zouden door DELM worden gemaakt.
Edoch, de galvanische afdeling van DELM stond met een print demonstratie op de FIRATO, die in de RAI in Amsterdam werd gehouden. Ik zelf kon niet, moest op dat moment deelnemen aan een Nederlands Kampioenschap schermen. Dus is collega Sgt I Bart de Jong naar de FIRATO gegaan en heeft daar op de FIRATO met de Hr. Jeukes de printen gemaakt.

De printen zouden waarschijnlijk voor een periode van 3 maanden noodzakelijk zijn, omdat Telefunken voor de KL een print aan het ontwikkelen was,
die de KLu dan ook zou kunnen aanschaffen. Die kaarten zijn er echter nooit gekomen.

Van die 16 printen is er 1 defect geraakt, tijdens een blikseminslag, waarbij ook veel andere items defect raakten. Die print is vervangen en vervolgens gerepareerd.
De interface heeft tot het einde van GGW's in Duitsland gefunctioneerd en in plaats van 3 maanden werd het dus enige jaren.
Door collega's werd het de Ariekanarie-interface genoemd.

ASCON AH remote.

Omdat de bezuinigingen ook Defensie niet ongemoeid lieten, werd er gezocht naar inkrimping van de personeelsbezetting. Hierdoor kon het gebeuren er in dat op een gegeven moment er in Arnhem, door ziekte en FLO, te weinig personeel aanwezig was en omdat om de week de controle functie van het ASCON moest worden gewisseld tussen Hilversum en Arnhem ontstond hier dus een probleem. Men dacht een oplossing te hebben gevonden: Het personeel mee laten verhuizen met de controlefunctie. Dit bleek echter geen fijne oplossing.
Er werd vanuit Den Haag naar een andere mogelijkheid gevraagd. Of het mogelijk was Arnhem op afstand te bedienen. Doordat dit natuurlijk een heel andere benadering was, heeft dat wel wat hoofdbrekens gekost. Ik heb toen met behulp van enkele multiplexers van het merk ASIM, een paar omgebouwde ASCON controle modules en aanpassingen in het MOORE systeem, een remote-systeem gerealiseerd, waarbij de controlefunctie van ASCON kon worden uitgevoerd vanuit de locatie Arnhem, terwijl het personeel zich in Hilversum (Zwaluwenberg) bevond. Dus eigenlijk alles wat men normaal gesproken, bij controle vanuit Arnhem, in Arnhem deed, kon men nu op afstand in Hilversum doen. Het enige wat niet mogelijk was, was het wisselen van de tape.

Ondersteuning DELM.

In die periode werd op het DELM één van de ASCON monteurs ernstig ziek en werd er door de chef WC-Grondradio assistentie gevraagd vanuit het WC-ASCON. Ik ben daar enige weken geweest en kwam daar voor de 1e maal in een conflict met de chef WC-Grondradio.
Ik had als enige van de ASCON monteurs ervaring op 3e lijns onderhoud niveau (reparatie op component niveau), door mijn werkzaamheden op de DSU van 3GGW.
Om een test voor een bepaalde unit uit te voeren moest soms een setup van de testbank gedaan worden van zo'n 2 uur tot 3 uur. Als er dus meerdere units van hetzelfde type lagen, testte ik die achter elkaar ongeacht de prioriteit, mede ook doordat ik het verbruik kende bij het WC-ASCON. Daar kreeg ik dus de problemen. Dit kon niet, want dit beïnvloedde de doorlooptijd. ?????
In de periode dat ik daar werkzaam was, won ik hiermee enige dagen aan werklast en was de opgelopen achterstand snel weggewerkt.

Configuratietekeningen ASCON.

Bij kantoor-ASCON was er op enig moment behoefte aan een tekenpakket om de configuratietekeningen van ASCON te kunnen maken en aanpassen. Ik zelf gebruikte privé een eenvoudige versie van het softwarepakket ORCAD, eigenlijk een pakket om schakelingen en printen te ontwerpen en waar ook de bovengenoemde interfaces mee waren getekend, maar waar ook prima de configuratietekeningen voor ASCON mee konden worden gemaakt. Ik heb dit pakket toen aanbevolen en Kantoor-ASCON laten zien wat de mogelijkheden waren. Kantoor-ASCON heeft toen een uitgebreidere versie aangeschaft.
Ik heb toen meegeholpen om de boel op te zetten. Sgt Vincent Volmer van het WC-ASCON heeft vervolgens alle configuratietekeningen van ASCON getekend.

Problemen ASCON verbinding HKKLu.

In een eerdere fase had men op HKKLu het idee dat er informatie, om zo maar te zeggen, op straat lag. Nu bleek dat in het straalpad vanaf Utrecht naar Den Haag, dit was een van de verbindingen waarmee HKKLu was afgesteund een Oost-Duitse handels delegatie lag. Reden om link zo snel mogelijk buiten werking te stellen. Er werd een directe kabel aangelegd tussen HKKLu op de Binckhorsthof en de Frederikkazerne waar een ASCON site t.b.v. de KL was. HKKLu was nu alleen via deze kabel met ASCON verbonden en als de KL-site uit zou vallen (KL-sites waren in tegenstelling tot KLu sites maar met één ASCON Node verbonden) zat HKKLu zonder verbindingen. Natuurlijk een onwenselijke situatie, maar het was even niet anders. Natuurlijk werd de prioriteit van de KL-site daardoor wel verhoogd.

Inmiddels waren er rond Den Haag een aantal glasvezel verbindingen aangelegd ten behoeve van NAFIN..

In deze glasvezelbundel waren een aantal paren vrij en men kwam op het idee om die te gebruiken. Door de aderparen op een aantal locaties door te koppelen kon men een directe glasvezel verbinding realiseren tussen HKKLu en de bunker in Oegstgeest.
Door DMKLu werd mij werd gevraagd te onderzoeken of het mogelijk was om deze aders te gebruiken t.b.v ASCON. Probleem was dat de apparatuur die voor NAFIN gebruikt werd niet kon werken met ASCON, omdat de uit de ASCON-apparatuur afkomstige signalen waren gebaseerd op het Amerikaanse T1 protocol.

Ik heb toen AT&T in Huizen opgezocht met de vraag of zij apparatuur hadden die met T1 signalen overweg kon. Zij hebben in de USA info gevraagd over de glasvezelapparatuur, dat overweg kon met het T1 protocol. Dit bleek geen probleem, want het was wel een oud protocol, maar een standaard die nog steeds veel werd gebruikt in de USA.

Benodigde apparatuur uitgezocht en doorgestuurd naar Bert Kool van DMKLu (dit was voor ASCON de directe contactpersoon bij DMKLu), deze heeft een offerte aangevraagd, die direct door DMKLu werd geaccepteerd, zodat na levering al snel een glasvezel verbinding t.b.v. ASCON kon worden gerealiseerd tussen  HKKLu en Oegstgeest. HKKLu was dus nu afgesteund met ASCON straalzenderverbinding, via de directe kabel naar KL-site op de Frederikkazerne en een glasvezelverbinding naar Oegstgeest, dus weer net als alle andere KLu sites tweezijdig op een Node afgesteund.
Voor de opleiding van de monteurs van WC-ASCON heb ik voor deze apparatuur een cursus samengesteld.

Geplaatst bij WC-CRYPTO.

In verband met de bevordering was ik inmiddels als opzichter geplaatst bij WC-Crypto te Hilversum. Ik heb daar samen met Sgt Ronald van Vliet een aantal interfaces ontwikkeld om de 60 mA lijn voor telexen te realiseren.
Wat later kwam er een nieuw type telex en Aroflex binnen, t.w. het low power type, met bovendien negatieve logica. Omdat deze niet gekoppeld konden worden aan de bestaande Crypto apparatuur en er hiervoor ook geen bestaande interface was, hebben we in eigen beheer interfaces ontworpen en gemaakt. Natuurlijk na toestemming en het beschikbaar stellen van een budget door DMKLu.

LAYO 1.

Ik kende het softwarepakket LAYO-1, waarmee schema's konden worden getekend, printen konden worden ontworpen en waarmee die printtekeningen met een gewone printer met een goed bruikbare kwaliteit konden worden afgedrukt op kalkpapier. Hierdoor verviel dus de tot dan noodzakelijke fotografische bewerking.
Ik heb toen aan de chef WC-Crypto, Aoo. Hans van de Knaap, toestemming gevraagd om contact op te mogen nemen met het bedrijf, dat LAYO-1 op de markt bracht, genaamd Baas Electronics. Een programma dat ik inmiddels prive nu ook gebruikte. Zij hadden voor een professionele omgeving een proefpakket en dat kostte fl. 79,-. Voor zo'n proefpakket was bij ons geen direct budget. Ik vertelde dat ik van de KLu was en legde het probleem uit. Ik werd vervolgens doorverbonden met de heer Baas zelf. Het bleek dat dit een oud KLu-er was en hij was bekend met zo'n financieel probleem en vond het leuk dat hij, ons van de KLu, kon helpen. Hij stelde een compleet pakket met alle mogelijkheden voor onbepaalde tijd aan ons beschikbaar, zonder verdere voorwaarden.

Dezelfde week kon ik beginnen met het ontwerpen van de printen voor de interfaces. Er moesten veel printen worden geproduceerd, want elk low-power apparaat had zo'n interface nodig. De printen werden natuurlijk weer door DELM geproduceerd en na ontvangst van de printen konden wij de componenten er weer op plaatsen.
De interfaces werden vervolgens ondergebracht in een aluminium behuizing die verzegeld werd.

Inmiddels was er ook een werkgroep LOTEX (Local Text Exchange) opgezet. Ook zij toonden interesse voor deze interface, omdat zij met hetzelfde probleem werden geconfronteerd. Door LOTEX konden eindgebruikers zelf hun bericht opstellen en zo aanbieden aan het verbindingscentrum en hoefde dit niet meer via een berichtenformulier, wat met name de doorloopsnelheid van een bericht vergrootte en de werkdruk bij het verbindingscentrum verlaagde.

CELT interface.


De CELT interface, een kast met daarin geplaatst een aantal interfacekaarten werd speciaal voor de centrale verbinding locaties van de KLu, t.w. Hilversum en Arnhem ontwikkeld. Dit omdat hier een directe crypto verbinding met de onderdelen binnen kwam. Om te voorkomen dat voor elk crypto apparaat een aparte interface met voeding nodig was, werd de CELT interface ontworpen.

PCT.

In het WC-Crypto, waar o.a. de telexen werden onderhouden, merkten we dat de telexen, mechanisch steeds slechter werden en aan hun economisch einde raakte. Daarom werd er door DMKLu naar een oplossing gezocht..
Op een gegeven moment werd ik benaderd door de Kap. Henny van Eijk, die bij 2LVG Hoofd Kwaliteitzorg was en als Elt. bij DMKLu had gezeten.
Hij kende mij van 3 GGW, waar hij chef WC-Grondradio was en hij wist dus wat ik zoal op 3GGW had gedaan. Hij vroeg om eens te kijken of ik mogelijkheden zag om de telexen te vervangen door PC's. Er was een pakket software bij de KL in ontwikkeling, dat hiervoor eventueel kon worden gebruikt.
Ik werd in contact gebracht met Maj. Eugene van de Bosch van het DMKLu. Gezien de nijpende situatie v.w.b. de telexen gaf hij ons eigenlijk een carte blanche.

De chef WC-Crypto, Aoo Hans van der Knaap, hij was de mechanische man in het werkcentrum, en ik zagen het wel zitten, gezien de mechanische telexproblemen die we hadden.
Toch waren er diverse personen op het onderdeel, die vreesden voor problemen als het niet zou lukken.

We hadden op 2LVG de informatie-manager Elt. Wilco Vonk. Samen zijn we hier in gedoken. Elt Wilco Vonk, en in een latere fase Kap. Richard Hovinga, pakte de software op en ik de hardware.

Voor het onderzoek heb ik diverse fabrikanten van Personal Computers (PC's), monitoren en printers benaderd met een voorstel om apparatuur te leveren voor een test. Omdat de apparatuur ook in de radiowagen, het Auto Radio Station (ARS), moest worden gebruikt vroeg ik gelijk toestemming om die betreffende apparatuur e.v.t. onder toezicht, of door hun eigen monteur, te mogen openen om de fysieke opbouw van de apparatuur te kunnen beoordelen. Bovendien moest er een mogelijkheid zijn om een interface in de PC te plaatsen. Enkele fabrikanten wilden hier niet aan meewerken, of kon er geen interface in de PC worden geplaatst, zodat die al direct afvielen.
Ook laptops werden in de test meegenomen, deze produceerden echter te veel straling, o.a. door de connector waar een extra monitor op kon worden aangesloten.
Want buiten de fysieke test werd er ook een stralingmeting van de totale configuratie gedaan door het stralingsteam van 1 LVG.
 
Na grondige testen, zowel lokaal als in de radiowagens op 3 GGW, hierbij was ook de Maj. Eugene van de Bosch aanwezig, kwamen we tot het volgende plaatje:

1.    Personal Computer en monitor van de Fa. Wang, deze waren veruit het meest stabiel en gaven de minste straling.

2.    Matrix printer van het Zweedse merk Facit, dit was de degelijkste printer die we tegen kwamen.

3.    Uninterruptable Power Supply (UPS), van het merk APC, dat de apparatuur van de benodigde spanning, ook bij uitval van de normale netspanning, moest
       voorzien.

4.    Een interface voor de koppeling met de Crypto apparatuur, die in de PC geplaatst kon worden en die in eigen beheer was ontworpen en aangemaakt.

Er werd door DMKLu voor dit project een budget beschikbaar gesteld voor aanschaf van de benodigde materialen.

Na aanschaf en samenstellen van een aantal systemen en het plaatsen van de interface in de PC's, die de al eerder genoemde low-power interface verving, werd er op Zwaluwenberg een testzaal ingericht, waar alle functies van de hardware en software konden worden getest.
Hier mocht ik ook een demonstratie geven voor diverse sectie hoofden, o.a. de Cdr. Adema, Gen.Maj. Macco en de DMKLu Gen.Maj. Wagenvoort.

In het contract met de leveranciers werd afgedwongen dat het personeel van WC-Crypto het onderhoud en reparatie van de betreffende apparatuur zou verzorgen.
Dit hield in dat zij een opleiding kregen bij Wang Nederland in Culemborg en bij Facit.

In de demonstratiefase had ik een werkprocedure voor het systeem opgesteld. Op Luchtmacht Electronische en Technische School (LETS) moesten er
natuurlijk voor de opleiding een aantal systemen worden geplaatst.
Na plaatsing op de LETS zijn de instructeurs als eerste bekend gemaakt met de werkwijze van het systeem en mochten zij achter de systemen plaats nemen.
Want zij moesten natuurlijk de lessen aanpassen.

Als eerste operationele eenheid zou 3-GGW worden voorzien van de nieuwe apparatuur en werd de apparatuur geplaatst in de ARSen van 3-GGW.
Aan alles was gedacht. Een speciaal rek gemonteerd in de radiowagens om de Uninterruptable Power Supply (UPS), gewicht ca 25kg redelijk schokvrij te monteren. Speciale transportkisten om de reserve apparatuur te vervoeren.

Na installatie van de apparatuur en opleiding van het personeel op 3-GGW werd het eerste bericht m.b.v. PCT verzonden naar het KLu telexnetwerk AMSS.
Ondanks de goede bevindingen waren er bij 2LVG nog steeds bedenkingen en voelde het voor ons zeker niet als zijnde enthousiast en soms zelfs als tegenwerken, ondanks de succesvolle demonstraties die waren gegeven.
Dit veranderde toen er namens de DMKLu, de Gen. Maj. Wagenmaker, een bericht werd verzonden, waarin het Personal Computer Telex (PCT) bekend werd gesteld aan de onderdelen en werd verwelkomd bij het KLu telex-netwerk AMSS.

Toen de bevindingen van de uitgevoerde testen en bewerkte software (PCT) bekend werden, kwam er al snel een nieuwe probleem naar voren. Het verbindingscentrum van HKKLu, met Aoo. Jan van Baden, gaf aan dat er problemen waren met hun speciale telexen, telexen met een monitor-interface, dit i.v.m. het grote aantal berichten dat hier werd verzonden. Ook deze monitoren waren aan hun levens einde toe. Vervanging van deze apparatuur kreeg voorrang, dus 5-GGW moest even wachten.

Het ging hier niet om een enkele telex, maar om een groot systeem, met veel telexen, daarom moest hier een speciaal concept met een speciale
werkprocedure worden opgezet, vooral omdat er met het nieuwe systeem niet meer ponsbanden werd gewerkt.
Door de goede samenwerking met de mensen van vebindingscentrum HKKLu, Aoo Jan van Baden en zijn mensen, heb ik ook hier een perfect werkende configuratie neer kunnen zetten.

Telexisten voerden het bericht in op hun PCT en konden dit, via een netwerkje, versturen naar de PCT van de verzendgemachtigde, die het bericht via een directe koppeling op AMSS kon zetten. Ook voor speciale (gemerkte) berichten was een speciaal protocol opgezet. Hier moest ook een interface worden gebruikt om al die PC's te koppelen met de PC van de verzendgemachtigde. Toen ook dit prima werkte en men in het verbindingscentrum van HKKLu tevreden was, konden we weer voortgaan met de normale uitrol, en werden achtereen volgens eerst 5GGW en daarna alle onderdelen van de KLu voorzien van PCT.
Natuurlijk moesten al de gebruikers van PCT een cursus krijgen, omdat het toch wel even iets anders was dan een normale telex. Hiervoor had ik een cursus voorbereid voor de initieële gebruikers op de GGW's en HKKLu, gevolgd door een begeleiding on the job. De overige onderdelen kregen hun bijscholing op de LETS.

De apparatuur die voor het vercijferen van verbindingen werd gebruikt werden vervangen door snellere en dat vroeg wederom om aanpassingen. Ervaringen die we met de PCT interfaces hadden opgedaan, konden we gebruiken om een nieuwe interface te ontwikkelen. De nieuwe interface die ik kon ontwikkelen was de CELT-interface, die bestond uit een modulaire systeemkast, waarin een Power Supply en een aantal kaarten in werden geplaatst. Deze interfaces werden toegepast op locaties Arnhem en Hilversum, waar veel Crypto apparatuur aanwezig was.

Omdat we natuurlijk steeds bezig waren bij WC Crypto met de verbindingsbeveiliging, zochten we naar mogelijkheden om de bedrading te beveiligen. Op dat moment was er nieuwe apparatuur op de markt voor gebruik met glasvezel, de zo genaamde FOM (Fiber Optic Module). Deze modules konden we koppelen met de bestaande crypto apparatuur. Dit gebeurde o.a. op de Admiraliteit en HKKLu in Den Haag.

Extended range voor GGW's.

Bij ASCON waren een aantal langzame modems (2400bd) vervangen door een sneller type (14400bd) en de oude werden gelukkig opgeslagen bij de materieeldienst..
Vanuit 3GGW kwam een melding van het Hoofd Bureau Verbindingen, de Maj. Andre Jansen, dat men in Duitsland bezig was met het koppelen van de GGW's aan een CRC/SOC, maar dat het allemaal nogal moeizaam ging, omdat alles via Crypto moest worden verzonden.
Ik realiseerde me dat die oude ASCON modems er nog waren en heb deze opgevraagd om te testen of wij die konden koppelen met een sneller Crypto apparaat, de KG84. Toen we hiervoor de benodigde kabels hadden aangemaakt bleek dat mogelijk en hebben we zo'n combinatie geplaatst op 3GGW.
Tijdens een oefening hebben zij daardoor verbinding kunnen  maken met het CRC/SOC Lauda, waardoor zij een radar bereik kregen van ca 500 km, i.p.v. de ca 100 km die gebruikelijk was voor de PAR (Puls Acquisition Radar, dit was de radar met het grootste bereik bij het HAWK systeem). Het bleek dus mogelijk en later is met andere modems een blijvend systeem hiervoor ontwikkeld.

LOTEX

Bij de realisatie van LOTEX op HKKLu liep men tegen het feit aan dat er binnen het HKKLu veel verbindingen onbeveiligd waren. Er werd aan 2LVG een vraag gesteld of 2LVG een glasvezel netwerk kon aanleggen op HKKLu. Het personeel van WC-Crypto, waar ik ook deel vanuit gemaakt had, had een glasvezel cursus gedaan bij Dirksen Opleidingen, waarbij o.a. ook het fusielassen van de glasvezel was geleerd. Doordat dat ik bij ASCON kwaliteitszorg in mijn pakket had werd mij gevraagd deze cursus ook te volgen, mede omdat ik natuurlijk ook een Crypto achtergrond had. Door de cursus kon ik aantonen dat een glasvezelverbinding in een gebouw als HKKLu fysiek beveiligd moest worden, omdat de mogelijkheid zou bestaan dat een signaal bij een simpele glasvezel kon worden uitgekoppeld. Denk bijvoorbeeld aan schoonmakers die in de avonduren door de gebouwen, cq kantoren lopen.

Ondanks dat ik bij kantoor ASCON was geplaatst werd mij gevraagd een inventarisatie te doen en een kostenplaatje op te stellen. Hierna werd door DMKLu aan 2LVG gevraagd om dit inderdaad uit te voeren. Dat hield in honderden meters glasvezel bestellen, glasvezelconnectoren, Fiber Optic Modules (FOM's), een patch-paneel en de noodzakelijke hostalit buis voor de fysieke beveiliging.
De monteurs van WC-Crypto en ikzelf hadden reeds een cursus glasvezel techniek via Dirksen Opleidingen gevolgd, oa met fusielas- en meettechnieken.

Werkprocedure en tekeningen opstellen, waarna de installatie werd uitgevoerd door WC-Crypto.
Hierdoor werd HKKLu het eerste gebouw binnen de krijgsmacht waar de LOTEX verbindingen geheel via glasvezel werden verwerkt.


Support Magic.

Door de vele apparatuur die het PCT project met zich meebracht hadden we bij WC-Crypto een Excel database en later een Access database opgezet, omdat we de gegevens van de apparatuur wilden bijhouden. In deze database hebben we uiteindelijk ook alle andere apparatuur die bij of door WC-Crypto werd gebruikt opgenomen.
Doordat hiermee in mijn ogen niet alles kon worden beheerd, zocht ik naar een ander systeem.

Ik vond het programma Support Magic, waarvan ik toen privé een proefversie heb aangevraagd. Hiermee heb ik een stukje database opgebouwd,
waarbij ik veel mogelijkheden zag.

Ik was inmiddels na een sollicitatie geplaatst op Kantoor ASCON en bevorderd tot Aoo., waar ik o.a. moest zorgdragen voor de juiste configuratietekeningen voor de ASCON monteurs en voor DMKLu ( met het programma dat ik zelf een paar jaar eerder had geadviseerd), maar ook kwaliteitszorg zat in mijn takenpakket, waarvoor dus een cursus werd gevolgd op de LETS, samen met Aoo Sieta Minnis, die geplaatst was op het KWB/BKZ van 2LVG.

Ik heb toen Support Magic voorgesteld aan de Cdt. 2LVG, Lt. Kol. Lex Gravemaker. Na de demo van mijn zijde, waarbij ik de mogelijkheden kon aantonen,
werd een demonstratie aangevraagd voor de hele staf van 2LVG. Deze demonstratie werd gegeven door mensen van Support Magic, o.a. door de latere directeur van het bedrijf.
Support Magic is in een latere fase overgenomen door McAfee.

Binnen defensie was een nieuwe ICT denkwijze geïntroduceerd, zijnde Information Technology Infrastructure Library (ITIL).

Hoewel Support Magic nog niet de ITIL structuur had, kon ik aangeven dat ik die mogelijkheden wel zag. Resultaat was dat de Cdt. 2LVG een pakket Support Magic met een aantal licenties aankocht. In een paar jaar heb ik die database zo uitgebouwd, dat hij volledig aan de ITIL filosofie voldeed en had ik alle ICT- en overige apparatuur, die op 2LVG werd gebruikt,  in de database ondergebracht.
Voor de materieeldienst was dit in eerste instantie een schok, want zij moesten alle gegevens van de apparatuur die binnenkwam in eerste instantie bij mij melden, zodat ik die kon invoeren. Voor het eerst werd hier een serienummer bij binnenkomst al belangrijk. Hierdoor moest wel de denk- en werkwijze op 2LVG worden veranderd.

Voor het opzetten van deze processen en cursussen kwam de cursus kwaliteitszorg die ik had gevolgd goed van pas. Met Ishikawa diagrammen konden de ins en outs goed in beeld worden gebracht.

Om alle gebruikers bekend te maken met de gewenste werkwijze en de processen heb ik toen een cursus Support Magic opgezet volgens de ITIL filosofie, waarbij we in eerste instantie de processen Configuratiebeheer, Incidentbeheer, Probleembeheer en Wijzigingsbeheer gebruikten. Later werd dit uitgebreid met nog andere processen. Bovendien werd een mogelijkheid gecreëerd om managementgegevens, m.b.v. Crystal Reports, direct uit Support Magic te verkrijgen. Toen alles was ingevoerd en de processen goed bleken te voldoen konden we weer een stap verder.
Er werden binnen de beheerprocessen verantwoordelijke functionarissen aangesteld, zoals ook binnen ITIL gebruikelijk was.
Hiervoor werd de werkwijze op 2LVG als eerste KLu onderdeel geheel volgens ITIL uitgevoerd.

Verplaatsing van Zwaluwenberg naar Soesterberg geb. A-144.

Inmiddels was NAFIN (Netherland Armed Forces Integrated Network), een netwerk gebruik makend van glasvezel verbindingen, voorlopig toegewezen aan 2LVG. Voor het beheer van NAFIN was een nieuwe locatie noodzakelijk. Het oog was gevallen op geb. A-144 op Camp New Amsterdam te Soesterberg, dat in gebruik was geweest door het 32nd Fighter Squadron en dat al jaren leegstond.
Er werd gekeken naar een algehele verhuizing van 2LVG van Zwaluwenberg naar Vlb. Soesterberg, met uitzondering van de bunker op Zwaluwenberg. Hierdoor zou het KLu gebouw op Zwaluwenberg kunnen worden afgestoten.

Op een gegeven moment kwam een vraag of de remote schakeling van Arnhem ook kon worden toegepast op Hilversum.
Het geheel nieuw op papier gezet en na enkele aanpassingen in de Arnhem situatie en een nieuw ontwerp voor de locatie Hilversum, kon ASCON eigenlijk vanuit elke willekeurige locatie worden beheerd, mits daar natuurlijk de beheerapparatuur aanwezig was.

Hierdoor stond niets de verplaatsing van 2LVG naar de locatie A-144 op Soesterberg nog in de weg, natuurlijk moest er nog veel worden aangepast op Soesterberg. In maart 1997 werd de verhuizing een feit. Na bijna een halve eeuw verliet het Luchtmacht onderdeel dat reeds zovele namen had gehad (CVV-Squadron, CVV-Groep, MVV-Groep, LVMG en 2LVG)  het rayon Hilversum.

ASCON programmeren.

Inmiddels had een collega van kantoor ASCON, de Aoo. Piet van der Linden gesolliciteerd als chef WC-Telematica. Dit was een combinatie van het
WC-ASCON en het WC-Crypto.
Doordat het NAFIN, een modern glasvezel netwerk met meer uitdaging dan het reeds oude ASCON, gingen een aantal andere collega's (programmeurs) van Kantoor ASCON over naar het beheer van NAFIN. Hierdoor kwam er een officiers functie vrij bij Kantoor ASCON. Ik solliciteerde daarop en werd aangenomen. Een voordeel was dat ik al jarenlang bezig was met programmeren, van machinetaal, via een assembler tot CP/M. De cursus die alle voorgangers bij Digital hadden gevolgd werd helaas niet meer gegeven. Na mij te hebben verdiept in de structuur van de ASCON-software, kon ik zo verder. De taal kwam redelijk overeen met de assemblertaal die ik bij mijn computers had gebruikt, zoals Assemblertaal, Forth en Fortran.
Nu waren Kapt. Edwin Grol en ik de enige programmeurs van ASCON en was ik tevens de beheerder van het tool Support Magic.

Er kwamen veel nieuwe afdelingen en systemen bij, waardoor een nieuwe structuur moest worden opgezet.
Er werd een Kantoor-Telematica opgezet, met als hoofd, het toen hoofd Kantoor-ASCON (dat dus gelijk werd opgeheven), de Kap. Edwin Grol. Hieronder werden diverse takken ondergebracht, bv. de inmiddels opgezette ICT-testsite t.b.v. KLu Implementatie Middenlaag (KLuIM), Bureau Out of Area en ASCON-software.
Kapt. Edwin Grol moest zijn taak betreffende de ASCON software laten vallen en was ik dus de enige die zich met de software bezig hield.

TRADIS.

Een nieuw systeem Traffic Display (TRADIS) was uitgerold op Nieuw-Milligen. En een monitor functie hiervan werd bij 2LVG neergelegd, zodat ik ook deze cursus moest gaan volgen. De lokale telefoonsystemen op de onderdelen waren inmiddels vervangen door het Lokaal Telefoon Netwerk (LTN). Ook het Command and Control Voice Network (C2VN) werd opgezet. Dit moest de opvolger van ASCON worden. Beide systemen werden aan 2LVG toegewezen.

Het Millennium.

Door mijn ervaring in programmeren realiseerde ik me ergens in 1998 dat het jaar 2000 wel eens voor software een probleem zou kunnen zijn.
Ik ben toen eerst privé en later voor ASCON gaan onderzoeken of de software en de apparatuur waarmee ik de ASCON-software maakte, de z.g. Assembly, (een alleenstaand systeem waarop de voor ASCON geschreven software moest worden geassembleerd) overweg kon met de overgang en draaien in het jaar 2000. Dit nam wel enige tijd in beslag, want alle opties moesten worden getest.

Toen dit allemaal mogelijk was, heb ik software voor ASCON gemaakt, terwijl de datum van mijn systeem in het jaar 2000 stond. Toen dit gereed was heb ik contact opgenomen met het hoofd Kantoor-Verbindingen, de Kap. Karel Flens en hem verteld wat ik had gedaan en dat ik het operationele systeem graag zou willen testen.
We moesten het nu natuurlijk wel via C-TLD en de Cdt-2LVG spelen, omdat dit het operationele deel van ASCON zou kunnen beïnvloeden, bv als er iets op de operationele Control Node zou gebeuren, kon men niet direct omschakelen naar de andere Control Node.

Door de flexibiliteit van ASCON was het mogelijk een deel een deel van het netwerk, bv een Control Node met een aanliggende Node, te isoleren van de rest van het net. Via de remote schakeling van ASCON werd Control Node Hilversum en een aanliggende Node geïsoleerd van het net. Dit had op de operationele werking van ASCON geen invloed.

Hierdoor konden we de datum van het geïsoleerde deel, op beide Nodes, net voor het jaar 2000 zetten en kijken wat er gebeurde tijdens de overgang naar het jaar 2000. Na uitvoerige testen bleek dit geen onverwachte problemen op te leveren. Nu was het de beurt om de in het jaar 2000 gemaakte software op beide Nodes te laden. Ook dit leverde na weer diverse testen eigenlijk geen problemen op. Hiermee hadden we aangetoond dat ASCON overweg kon met de overgang naar en kon werken in het jaar 2000.
Restte nog een uitvoerig verslag hiervan te maken en dat vervolgens naar Hr. Bert Kool van de DMKLu werd gezonden.

Inmiddels was op HKKLu de projectgroep ON TIME in het leven geroepen. Deze moest een inventarisatie doen naar de kwetsbaarheid van de KLu inzake het millennium. Het rapport inzake ASCON kwam daar natuurlijk terecht. Binnen de kortste werden we op 2LVG bezocht door het hoofd van Bureau ON TIME (Maj. Bert de Man) en werd ons gevraagd naar onze bevindingen en hoe we er toe gekomen waren.

Omdat van andere verbindingssystemen niet geheel duidelijk was of er problemen, betreffende het millennium, zouden kunnen optreden, werd ASCON uiteindelijk tijdens de millennium overgang het primaire verbindingssysteem van de KLu.

AssetCenter en MTSD.

Door de invoering van KLUIM (KLu Implementatie Middenlaag) kwam er op de onderdelen veel meer ICT apparatuur, die beheerd moesten worden. Hiervoor was op HKKLu inmiddels de ITIL filosofie en denkwijze aangenomen. Reden voor de KLu om een een beheertool aan te schaffen.
Op LCG, dit was de nieuwe naam voor het onderdeel nadat ASCON was uitgefaseerd, draaide reeds enkele jaren Support Magic. Ook Vlb. Gilze Rijen en Vlb Woensdrecht hadden na LCG dit tool aangeschaft. Vlb Volkel en DELM probeerden het met een ander of eigen tool.
Reden voor de KLu om de gebruikte pakketten nader te beschouwen. Er werden enige bijeenkomsten op DATIM in Soestduinen georganiseerd om de ins en outs van de tools te kunnen beoordelen.
Na de evaluatie werd in principe gekozen voor Support Magic, omdat hier de grootste mogelijkheden van werden gezien.

Probleem was de Defensie Telematica Organisatie (DTO), dat inmiddels ook in geb. A-144 op Soesterberg gevestigd was, waar een ander tool gebruikt werd, t.w. AssettCenter van Perigrine. DTO zag graag dat alle krijgsmachtdelen AssetCenter zou gebruiken. Hiervoor werden er in Den Haag een aantal bijeenkomsten georganiseerd. Volgens mij bleef de implementatie van ITIL processen in AssetCenter een probleem.

In mijn ogen kon er met Support Magic ook meer dan met AssetCenter. Reden voor de KLu om enkele personen naar de World Conference van Perigrine in Atlanta, Georgia, USA te sturen.

De Maj. Rene Stout, Kap. Ed van de Akker en de Elt. Arie Petrus gingen die conferentie bezoeken met het doel te kijken wat er voor mogelijkheden waren.

Tijdens deze conferentie bleek dat voor wat wij bij LCG met Support Magic deden, de KLu bij Perigrine diverse softwarepakketten zou moeten afnemen, waarbij dan nog niet (volgens mij) de ITIL structuur ondersteund werd. Hiermee was een enorm bedrag gemoeid.
Ieder van ons moest over zijn bevindingen een verslag schrijven, die natuurlijk door DMKLu gewogen werden.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de KLu besloten om de opvolger van Support Magic, zijnde Magic Total Service Desk (MTSD) aan te schaffen.
Een heel groot voordeel hiervan was, dat de database structuur die ik had opgesteld en die we bij LCG dus gebruikten zo kon worden overgenomen.
Deze database had ik ook volledig volgens de ITIL-structuur opgesteld. Er werd dus gewerkt met verschillende beheer groepen, b.v.:
Configuratiebeheer, Incidentbeheer, Probleembeheer, Wijzingsbeheer, Licentiebeheer, enz..
Ik heb toen op LCG een cursus opgezet en vervolgens een lokaal ingericht, met de benodigde apparatuur, waar alle betrokken personen die op de KLu onderdelen met het beheer tool moesten gaan werken, een opleiding hebben gekregen.

Afbouw ASCON.                 Link naar stuk over ASCON

Omdat ASCON inmiddels was uitgefaseerd, werd ik geplaatst als Off. toegevoegd aan Kantoor ABC (Advies, Bewaking en Coordinatie).

Buiten de werkzaamheden op LCG betreffende Support Magic en MTSD, kon ik me, omdat ik natuurlijk los was op Support Magic ook richten op ondersteuning van de onderdelen indien er een probleem ontstond.

In deze periode werd ook de ASCON locaties afgebroken. Door mijn lange werktijd voor ASCON kende ik natuurlijk alle locaties en veel contactpersonen op de onderdelen, zowel KLu als KL en externen. Reden om mij aan te wijzen als KLu-liasion tijdens de ontmanteling van ASCON.
 
Op 1 augustus 2001 ben ik na een jaar te hebben nagediend met Functioneel Leeftijds Ontslag (FLO) gegaan. Hierna heb ik nog een jaar als burger gemiddeld
2 dagen in de week voor LCG gewerkt. In deze periode heb ik de onderdelen en LCG, bij het invoeren van MTSD, kunnen ondersteunen.